Overweging 17 augustus 2014

Is onze God de God van alle volkeren of alleen van het Joodse volk? Deze vraag staat vandaag centraal. De  niet-joodse vrouw, die in het evangelie van vandaag om hulp vraagt, wordt vier keren afgescheept. Eerst wordt ze door Jezus genegeerd. Dan door de leerlingen: "Stuur dat vrouwmens toch weg... met haar geschreeuw!" Als Jezus dan eindelijk reageert, is dat om haar af te wijzen: "Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël". De vrouw blijft aandringen... en Jezus wijst haar waar haar plaats is: bij de honden. Schokkend, zonder meer! Hoe kunnen we dergelijke taal rijmen met het imago van Jezus als de vriend van mensen?  Toch past hier wel een opmerking ter verduidelijking: je mag Jezus' reactie niet losmaken uit de tijd en de context van toen. Jezus is over de grens van Israël de streek van Tyrus en Sidon- het tegenwoordige Libanon- binnengetrokken, een niet-joods gebied. Vermoedelijk om aan de joden aldaar zijn boodschap te gaan verkondigen. De vrouw die hem aanspreekt, is een afstammeling van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, het land van de heidenen met zijn vele goden en zijn vruchtbaarheidscultus. De joden meden alle contact met de plaatselijke bevolking. Ze wilden immers hun geloof zuiver houden, vrij van mogelijke heidense beïnvloeding.

Tegen die achtergrond wordt de houding van Jezus iets begrijpelijker: hij gedraagt zich zoals Joden zich daar en toen gedroegen. Begrip opbrengen voor zijn manier van spreken is niet hetzelfde als het ‘goedkeuren'. Dat hoeft ook niet. Want tegen het einde van het verhaal heeft Jezus zelf zijn houding grondig gecorrigeerd: "Vrouw, u hebt een groot vertrouwen. Wat u verlangt, zal ook gebeuren". 

Op de cynisch afwijzing: "Het is niet goed om het brood van de kinderen aan de hondjes te geven", antwoordt ze gevat: "Ja, Heer, maar de honden eten toch de kruimels die van de tafel van hun baas vallen". Daar is geen speld tussen te krijgen. Jezus staat schaakmat. Zoiets lezen we niet vaak in de evangelies. Gewoonlijk is het omgekeerde het geval: Jezus die zijn tegenstanders schaakmat zet.

Wat de doorslag gaf tot die grote ommezwaai, blijkt uit Jezus' slotwoord: "Vrouw, groot is uw vertrouwen". Wat is de kwaliteit van haar vertrouwen, van haar geloof?

Allereerst haar vasthoudendheid. Ook al kreeg ze viermaal de deur voor haar neus dichtgeklapt, ze bleef hopen ondanks alles.  Zijn wij niet vaak te ‘klein-gelovig' ? Blijven we gelovig overeind als leed en lijden ons deel zijn? Als we het gevoel hebben dat God ons bidden en smeken niet schijnt te horen? Houden we het dan toch vol met God?

Maar er is meer, nog een kwaliteit van haar geloof. Haar geloof heeft handen en voeten. Ze roept Jezus toe: "Heer, heb medelijden met mij. Mijn dochter is vreselijk bezeten." De vrouw identificeert zich met het lijden van haar dochter.  Het motiveert haar om er wat aan te doen.

Als wij wat meer medelijden zouden betonen, wat meer solidariteit tonen met andermans ellende, er zou heel wat minder geleden worden in de persoonlijke sfeer, binnen families, en zelfs op wereldniveau. Hoe worden asielzoekers behandeld in ons land? Hoe gaan we om met mensen die aan de rand van de samenleving verblijven? Lopen we soms niet al te gemakkelijk voorbij de nood van een ander?

Die niet-Joodse vrouw staat model voor waarachtig medelijden. Ze is zo betrokken bij het lijden van haar dochter dat ze niet bang is om haar gezicht te verliezen; ze doorbreekt het taboe dat Joden en niet-joden in gescheiden werelden leven. Ze spreekt Jezus aan; meer nog: in bedekte termen wijst ze hem terecht: "U kunt wel mooi praten over mensenliefde en over een God die zijn mensen niet in steek laat; maar maak die liefde eens concreet, laat eens wat kruimels van de tafel vallen."

Jezus' ommezwaai zegt ook iets over wie hij was. Ze bevestigt dat hij ten volle mens was. Hij moest groeien in zijn rol als Messias, en dus soms zijn eigen vooroordelen opgeven. Opgegroeid als Jood in hart en nieren hield ook hij zich aanvankelijk ver van het heidendom. Maar die onverwachte confrontatie met een vreemde vrouw die, uit liefde voor haar ziek kind, taboes doorbreekt, zich niet laat afschepen, moet Jezus in verlegenheid hebben gebracht.

Durven wij ons eigen geloven bevragen, zoals Jezus zich liet bevragen door dat grote geloof van die heidense vrouw? Durven we erkennen dat een andersdenkende het wel eens bij het rechte eind kan hebben, en wij dus fout zitten? Kan het engagement van een neutrale organisatie als Artsen zonder grenzen bv. ons, christenen, inspireren tot grotere inzet voor de Derde Wereld? Kan het grote geloof van een Getuige van Jehova ons ertoe aanzetten om ook wat meer tijd te investeren in Bijbellezen en bijbelstudie?

Het is een goede zaak als we onze eigen geloofsvisie eens kritisch bekijken, wat bijstellen en concreet maken in onze daden. Bovendien, die oproep om dat te doen komt vandaag vanuit het evangelie naar ons toe.