Text/HTML

Overweging 23 maart 2014, father W vd Salm

In beide lezingen vanmorgen is de rode draad, dorstig zijn of het zoeken naar water. In de eerste lezing horen we over de Israëlieten op hun tocht door de woestijn. God heeft het volk van Israël door Mozes bevrijd uit de slavernij in Egypte en door de woestijn gaan ze op weg naar een land waar ze in vrede en vooral vrij kunnen wonen en leven. Maar de tocht door de woestijn is zwaar. Met hun hele hebben en houwen zijn ze op weg en dan begint het gemopper. Ze worden ontevreden. Ze willen onderhand wel eens een beetje zekerheid, zich vestigen, het beloofde land intrekken. Het volk klaagt zijn nood bij Mozes en die weet zelf ook geen weg en richt zich tot Jahwe, Door al hun gemopper en geklaag had het geloof ven het volk in God al lang een flinke deuk opgelopen en waren ze Zijn steun bij hun uittocht uit Egypte al weer lang vergeten. Hij was in hun ogen niet meer de Bondgenoot die voor hen uitging. De harde realiteit van het leven in de woestijn treft hen: het water is schaars en soms bijna niet te drinken; honger dreigt nu de eerste meegenomen rantsoenen op beginnen te raken. Dan gaan ze nog liever terug naar Egypte want daar hadden ze in alle ellende toch nog te eten. Mozes is de zondebok in hun ogen. Mozes op zijn beurt beklaagt zich bij God.

De lezing vertelt ons dat God hen een bron schenkt : Hij is die is... schenkt een bron: een bron die ontspringt aan een rots zodat iedereen kan drinken. In het evangelie zien we Jezus, de vermoeide reiziger, ook bij een waterbron. En die bron blijkt een plaats van ontmoeting te zijn. Jezus, een Jood, spreekt met een vrouw en zij is Samaritaanse. Dan ontstaat er een ongewoon gesprek tussen die twee. Langzaam maar zeker gaat het gesprek van gewone dorst en gewoon water naar een dieper soort dorst en een diepere vorm van water. Jezus spreekt zelfs over levend water. Jezus verwijst naar de bron van levend water en verwijst dan naar zichzelf als die bron. In zekere zin zegt Jezus tot de vrouw: “Water kun je wel putten uit zo’n gewone bron en dat moet je steeds weer gaan halen maar dat levende water moet je niet ergens anders gaan halen want je bent zelf die bron van levend water”.

Contact met je innerlijke bron, met je levenskracht kun je uiteindelijk alleen zelf onderhouden. Beide lezingen laten zien dat het niet gemakkelijk gaat: er is werk voor nodig; het is een heel proces. Ik denk aan het boek van Etty Hillesum, een jonge Joodse vrouw – in Amsterdam onder de oorlog- die in haar dagboek heel openhartig schrijft over haar persoonlijke leven en de dreiging die er uitgaat naar alle Joden tijdens de Duitse bezetting. Zij beschrijft ook hoe zij langzaam God begint te ontdekken in haar leven. In een passage van haar dagboek beschrijft zij in 1941 dit als volgt: “ Binnen in mij zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij, maar vaker liggen er stenen en gruis in die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden”. Dat is die jonge vrouw gaan doen en als zij al in Westerbork is om afgevoerd te worden naar Auschwich schrijft zij: “Wanneer men na een lang en moeizaam proces, dat dagelijks verder gaat, is doorgebroken tot die oerbron in zichzelf die ik nu God wens te noemen, en wanneer men er nu maar voor zorgt dat die weg tot God vrij en ongebarricadeerd blijft- wat geschiedt door werken aan zichzelf, dan hoeft men niet angstig te zijn dat men teveel van zijn krachten wegschenkt”.

Een prachtig beeld van wat er eigenlijk moet en kan gebeuren in ons in deze 40-dagen tijd; puin ruimen, debris wegscheppen uit ons leven om daardoor beter in contact te zijn met God en met de mensen om ons heen. Contact met je innerlijke bron, met je diepere levenskracht kun je uiteindelijk alleen zelf onderhouden. De twee lezingen laten zien dat dit een hele ontwikkeling eist. De Israëlieten dreigen om te komen van de dorst en via Mozes en God krijgen zij water uit een bron in de rots. De vrouw in het evangelie moet hard aan het werk om water te putten uit die waterput, zo midden op de dag. Jezus wijst haar op een ander water en een andere bron die onuitputtelijk is. Waar zijn wij naar op zoek in ons leven? Zoeken we alleen materieel comfort ? Wat zoeken we toch? Wat is onze bron, waaruit leven we? Wat is in ons leven echt belangrijk en wat geeft richting aan ons leven? Dat water wijst naar de levende, de dragende grond van het bestaan. Die bron om uit te leven is uiteindelijk van Goddelijke oorsprong en uiterst belangrijk want met geloof hoop en vertrouwen in je leven, kun je toch heel wat positiever in het leven staan. We mogen ons als gelovige en zoekende mensen gedragen weten door God, die de Bron is van alle leven.

Zo mag je ook kijken naar de wereld om je heen. Dan ben je ver voorbij het mopperen en klagen op van alles en nog wat: ‘van het een is er te veel en van het ander is er te weinig’; in plaats van het eeuwige gemopper en geklaag vooral dankbaar zijn voor wat is gegeven. Jezus zegt dat die Bron van leven een bron is die ervoor zorgt dat je nooit meer echt dorst krijgt, omdat we ons bij Hem, wie we ook zijn en waar we ook vandaan komen steeds opnieuw ons mogen laven. Uit Zijn Bron mogen we leven; dankbaar uitgedaagd en vreugdevol.