|
startpagina
overwegingen
kinderkerk
koren
parochieblad
fotoboek
vieringen
parochieoverzicht
pastoraal
team
actueel
contact
links
website
Z. Titus Brandsma
Parochie
|
De
Geest van God omgeeft ons als een mantel
Zondag 5 juni, door mevr. R. Koks
Opening
Beste mensen,
In de bijbel zijn er gemakkelijke teksten, moeilijke teksten en onmogelijke
teksten. De teksten van vandaag zijn zulke onmogelijke teksten. De zondag
van vandaag, de zevende zondag na Pasen, heeft niet voor niets in het
kerkelijk jaar de naam 'weeszondag' gekregen of de zondag van de weeskinderen.
Het is alsof Christus Zijn volgelingen als wezen heeft achtergelaten.
Hij is enige tijd bij hen geweest en nu heeft Hij hen met Hemelvaart verlaten.
Bovendien is er nòg iets merkwaardigs aan de hand met de twee
teksten van vandaag. Het stuk uit Handelingen is qua positionering in
de tijd logisch. Vlak daarvoor wordt de Hemelvaart van Jezus
besproken en dan daarna - de tekst van vandaag - het zich
terugtrekken van de leerlingen. En volgende week volgt dan Pinksteren.
Maar het gebed van Jezus bij de evangelist Johannes heeft een héél
andere plaats: het gaat vooraf aan het lijden van Jezus, het is dus een
soort Witte Donderdag verhaal. En dat op de zondag ná Hemelvaart!
Ik zat er nogal mee in mijn maag.
Maar zie, afgelopen week vond ik de nieuwe aflevering van De Gave in de
bus, met daarin een stukje van pastor Guido Dieteren.
Hij haalt hoofdstuk 20, vers 19 van de dezelfde Johannes aan waarbij de
evangelist Pasen en Pinksteren vrijwel op één dag laat vallen.
Blijkbaar is voor Johannes de historische volgorde niet van wezenlijk
belang. En ook de katholieke liturgische traditie ziet er geen probleem
in dit epistel en dit stukje evangelie op deze zondag bij elkaar te brengen.
Het gaat niet om de volgorde in de tijd. Het gaat om de boodschap. Jezus,
die eerst mens was, gaat nu naar de Vader om daar Zijn plaats aan diens
rechterhand in te nemen.
De leerlingen blijven verweesd achter.
Wat kunnen ze daar nu mee? Wat kunnen WIJ daarmee?
Straks, in mijn overweging, zal ik proberen iets met deze vraag te doen.
Daarbij zal ook ik mij enige vrijheid permitteren. Ook ik zal een beetje
spelen met de geschiedenis met de bedoeling de kern van de christelijke
boodschap te vinden.
Overweging
Wat hebben we zojuist in Handelingen gelezen?
De apostelen - het zijn er nog maar elf, de verraderlijke Judas heeft
inmiddels zelfmoord gepleegd - hebben zich teruggetrokken in een bovenzaaltje.
Wellicht het zelfde bovenzaaltje waar ze eertijds met Jezus het laatste
avondmaal gevierd hebben: en dat was al het afscheid.
En samen met Maria, de moeder van Jezus en met zijn broers zijn ze aan
het bidden geslagen. Ze beseffen dat Jezus, hun meester, nu toch echt
definitief en voor altijd is verdwenen. Ze kunnen niet meer met hem in
gesprek, ze kunnen hem geen vragen meer stellen, niet meer op hem leunen,
zich niet meer achter hem verschuilen
van nu af aan moeten ze het
toch echt alleen doen.
Wat hun te wachten staat, daar hebben ze blijkbaar nog geen weet van.
De Geest van God moet nog komen. Zij moeten - net als wij - nog een week
wachten op Pinksteren
En het Johannes evangelie geeft niet veel meer informatie. Jezus bidt
tot God, Zijn Vader, voor degenen die hij zal achterlaten. Hij is al bijna
niet meer van deze wereld. Hij gaat naar de Vader maar zij blijven in
de wereld achter.
Ook al weer: het verlaten, het verweesd achterlaten
Wat moeten wij daarmee?
Op het eerste gezicht: ik zou het niet weten!
Een opening vind je echter als je je realiseert dat geen enkel bijbelboek
- noch het Oude noch het Nieuwe Testament - een geschiedenisboek is. En
ook de schrijvers van Handelingen en van het Johannes evangelie zijn geen
verslaggevers van het TV journaal en ook geen historici. Het zijn diepgelovige
mensen die de oorsprong van hun religie willen beschrijven zoals ZIJ dat
in de christelijke gemeenschap waar zij toe behoorden beleefden. Handelingen
omstreeks 70 of 80 geschreven, het Johannes evangelie nog wat later, ongeveer
90 of 100.
En als je je DAT realiseert dan vormen beide teksten een schitterende
fase in de ontwikkeling van hun geloof.
In de jaren 30 heeft er in Palestina een wonderdoende joodse prediker
rondgetrokken. Die is vermoord. Op Goede Vrijdag herdenken we dat. En
enige tientallen jaren later, zeg maar rond de tijd dat het Johannes evangelie
werd geschreven bestonden er al christelijke gemeenschappen. Met kenmerken
die wij - 2000 jaar later - al herkend zouden hebben. Men kwam op zondag
bijeen - net als wij -; vierde de eucharistie - ongeveer op dezelfde manier
als wij - ; er was al sprake van enige functieverdeling binnen de gemeenschap
en men steunde elkaar in het dagelijkse leven.
Zelfs voor onze 21e eeuwse inzichten is het verbazingwekkend dat er in
zo'n korte tijd een wereldreligie kan ontstaan. Met erg veel verwantschap
met zijn wortels, zijn oorsprong: het jodendom. Maar toch ook met heel
eigen karakteristieken.
Belangrijk is het zich te realiseren dat in de tijd waarin Handelingen
en waarin het Johannes evangelie werden geschreven er al twee heel belangrijke
ontwikkelingen waren voorgevallen:
In de eerste plaats bestond de joods-christelijke gemeenschap van Petrus
en Jacobus in Jeruzalem al niet meer. In 70 hadden de Romeinen Jeruzalem
veroverd en de tempel verwoest. Aangenomen wordt dat de joods-christelijke
gemeenschap in die tijd - of al eerder - was uitgeweken naar wat nu Jordanië
is. Daarmee was de binding met de joods traditie al losser geworden.
In de tweede plaats was een van de grootste religieuze persoonlijkheden
uit de wereldgeschiedenis naar voren getreden: Paulus.
Hij had geleefd, had gepredikt en was waarschijnlijk al gestorven.
Paulus, de apostel van de heidenen, die Jezus nooit had gekend maar Hem
op een wonderbaarlijke wijze op weg naar Damascus had ervaren. Die van
zichzelf zegt dat hij altijd trouw aan de joodse wetten is gebleven, maar
die deze wetten en gebruiken niet verplicht had willen stellen aan de
niet-joodse bekeerlingen.
Paulus die gemeend had dat Christus Jezus, de Messias, binnenkort zou
terugkeren.
Altijd spannend vind ik de passage aan het eind van de eerste brief aan
de Tessalonicenzen - het oudste ons overgeleverde christelijke geschrift,
uit ongeveer het jaar 50 - waarin de gelovigen vragen: "Paulus, jij
hebt ons gezegd dat de Christus spoedig zal terugkeren. Maar nu zijn al
een paar van ons overleden, nog vóórdat Christus is teruggekomen.
Hoe moet dat nu?"
Paulus spreekt geruststellende woorden. Inderdaad zal Christus zeer binnenkort
terugkeren, maar wees gerust, de inmiddels overledenen zullen niet achtergesteld
worden bij de nog levenden.
Even gerustgesteld waren ze. Maar ik vermoed niet voor lang. Het geduld
zal langzamerhand wel zijn opgeraakt.
Aan het eind van de 1e eeuw verkeert de jonge kerk - volgens veel kerkgeleerden
- in de eerste crisis van zijn bestaan.
Niet langer is houdbaar dat Christus binnenkort zal terugkeren.
De jonge christengemeenten moeten leren begrijpen dat de leer van Jezus
van Nazaret een andere is. Ze moeten eindelijk begrijpen wat Jezus bedoelt
als hij zegt:"Mijn rijk is niet van deze wereld"
In religieuze termen: het wordt tijd dat de Geest van God over hen komt.
En rond het eind van de 1e eeuw weet het christendom deze reuzenzwaai
ook te maken.
Niet vasthouden aan een spoedige fysieke terugkeer van Christus. Maar
Christus navolgen. De Zoon van God die geleden heeft en gestorven is aan
het kruis. Dat dit niet het einde betekende. Dat God, weliswaar de mensen
het lijden niet afneemt, maar Hij in Christus naast hen staat en met hen
meelijdt, zodat ze zich in hun lijden gedragen voelen. God zij met ons.
En op de navolging, daar gaan de vroege christenen vanaf het einde van
de 1e eeuw zich op richten.
Veel later, omstreeks 1400 schrijft de Nederlander Thomas a Kempis zijn
'Imitatio Christi', 'De navolging van Christus'.
Wij, wij proberen dat nog steeds: het navolgen van Christus, daarbij geleid
door Gods Geest. We komen naar de kerk omdat we zelfs in tijden dat het
leeg en verlaten voelt, blijven hopen. De werking van de Geest die we
elke dag zien gebeuren, in de kerk en daarbuiten. Overal waar een mens
kiest voor liefde, voor onbaatzuchtigheid, voor gerechtigheid, voor waarheid
daar is Gods Geest aanwezig. Overal waar mensen bidden, zich openstellen
voor het Goddelijke, voor het licht - daar is de Geest al lang aan het
werk.
Ik heb een kort gedicht gevonden, waarmee ik wil afsluiten:
In stilte werkt de Geest van God,
stuwt voort met zachte krachten,
een wijze moeder die ons hoedt,
een bron van goede machten.
Zij geeft ons moed om door te gaan,
Doet mensen weer elkaar verstaan,
Omgeeft ons als een mantel.
Amen.
|